Een direct implantaat is een tandimplantaat dat in dezelfde behandelsessie wordt geplaatst waarin de tand of kies wordt verwijderd. In de vakliteratuur heet deze werkwijze immediate placement. De kunstwortel van titanium wordt direct in de verse extractieholte gepositioneerd, waardoor het aantal chirurgische momenten afneemt en het bot rondom de tandkas beter behouden blijft.
Niet elke situatie leent zich voor deze aanpak. Of een direct implantaat verantwoord is, hangt af van de botkwaliteit, de conditie van het tandvlees en de mate van ontsteking rond de te verwijderen tand. Een implantoloog beoordeelt dat vooraf met een 3D-scan.
Een tandimplantaat is een kunstwortel van titanium of zirkonium die in het kaakbot wordt geplaatst en dient als fundament voor een kroon, brug of prothetische voorziening. Het implantaat vervangt de tandwortel, niet de tand zelf: de zichtbare kroon-op-implantaat wordt later via een abutment op het implantaat bevestigd.
De verbinding tussen implantaat en kaakbot ontstaat door osseo-integratie, het proces waarbij botcellen zich hechten aan het implantaatoppervlak. Dit proces vraagt doorgaans enkele maanden. Osseo-integratie bepaalt in belangrijke mate de stabiliteit van het eindresultaat, en daarom wordt de belasting van het implantaat zorgvuldig opgebouwd.
De behandeling verloopt in vier herkenbare fasen: diagnostiek en planning, extractie met directe implantaatplaatsing, de genezings- en integratiefase, en tot slot de prothetische opbouw. Elke fase heeft een eigen doel en een eigen controlemoment.
Met een CBCT-scan wordt de botbreedte, bothoogte en de ligging van zenuwen en de sinus in beeld gebracht. Op basis daarvan wordt de implantaatpositie digitaal gepland. Bij guided implantologie wordt vervolgens een boormal gemaakt, zodat het implantaat exact volgens plan wordt geplaatst. Een goede planning bepaalt of directe plaatsing uberhaupt verantwoord is.
De tand of kies wordt zo weefselsparend mogelijk verwijderd. Direct daarna wordt het implantaat in de extractieholte geplaatst. De ruimte tussen implantaat en botwand wordt zo nodig opgevuld met botvervangend materiaal, een vorm van botaugmentatie. Deze werkwijze beperkt de botafbraak die normaal na een extractie optreedt.
In de weken na plaatsing groeit het bot vast aan het implantaatoppervlak. In deze fase wordt vaak een tijdelijke voorziening gedragen, zodat de esthetiek en de kauwfunctie behouden blijven. Rust in het weefsel is in deze periode belangrijker dan snelheid.
Als het implantaat stabiel is geintegreerd, wordt het abutment geplaatst en volgt de definitieve kroon. Kleur, vorm en beetcontact worden afgestemd op de omliggende elementen. Pas op dat moment is de behandeling functioneel en esthetisch afgerond.
Botopbouw is nodig wanneer er onvoldoende botvolume is om een implantaat stabiel te verankeren. In de bovenkaak, ter hoogte van de kiezen, kan daarnaast een sinuslift nodig zijn: het sinuslift-membraan wordt dan voorzichtig opgetild en de ontstane ruimte wordt gevuld met botmateriaal.
Botverlies ontstaat vaak na langdurig tandverlies, na een ontsteking of bij het dragen van een klassieke prothese. Juist daarom kan directe plaatsing aantrekkelijk zijn: door het implantaat meteen na de extractie te plaatsen, wordt het kaakbot minder aan afbraak blootgesteld. Wie al jaren een gebitselement mist, moet er rekening mee houden dat een voorbereidende botopbouw onderdeel van het traject kan zijn.
De keuze hangt af van het aantal ontbrekende elementen. Bij een ontbrekende tand is een enkelvoudig implantaat met kroon meestal de meest voor de hand liggende oplossing. Bij een volledig tandeloze kaak komen concepten als all-on-4 en all-on-6 in beeld, waarbij een volledige tandprothese op respectievelijk vier of zes implantaten rust.
Een klikgebit op implantaten is een tussenvorm: een uitneembare prothese die op twee tot vier implantaten vastklikt en daardoor aanzienlijk stabieler zit dan een losse prothese. Voor patienten in Amersfoort, Leusden en Utrecht die zoeken naar meer houvast bij het eten en spreken, is dit vaak het eerste alternatief dat wordt besproken. Welke voorziening passend is, blijkt pas na diagnostiek.
Let op registratie en specialisatie. Erkende implantologen zijn aangesloten bij beroepsverenigingen zoals de KNMT en de NVOI, werken volgens vastgestelde richtlijnen en gebruiken CE-gemarkeerde implantaatsystemen met een traceerbaar implantaatpaspoort. Dat laatste is belangrijk voor onderhoud en eventuele latere reparaties.
Daarnaast telt de inbedding in een tweedelijns verwijspraktijk. Verwijzende tandartsen sturen complexe casussen door naar een praktijk met chirurgische en prothetische expertise onder een dak. In de regio Amersfoort werkt immediate placement en directe implantaatplaatsing op die manier: planning, chirurgie en afwerking blijven in een behandelteam. Continuiteit binnen een team verkleint de kans op miscommunicatie tussen behandelfasen.
Een tandimplantaat vraagt dezelfde discipline als een natuurlijke tand, en op sommige punten meer. Rondom het implantaat kan peri-implantitis ontstaan, een ontsteking van het weefsel die tot botverlies kan leiden. Goede mondhygiene, ragers of een monddouche en periodieke controle bij de mondhygienist zijn daarom geen bijzaak.
Wie zich orienteert op implantologie in de regio Utrecht en Leusden, doet er verstandig aan de nazorg vooraf te bespreken. Bij PTI de Biezenkamp maakt de controlecyclus standaard onderdeel uit van het behandelplan. De levensduur van een implantaat wordt uiteindelijk minder bepaald door het merk implantaat dan door de kwaliteit van de nazorg.
Een direct implantaat is een implantaat dat in dezelfde sessie wordt geplaatst als waarin de tand wordt getrokken. Het doel is het behoud van bot en tandvlees rond de extractieholte, en een korter totaaltraject.
Nee. Directe plaatsing vraagt om voldoende botvolume, gezond tandvlees en de afwezigheid van een actieve ontsteking rond de tand. Een 3D-scan geeft uitsluitsel of het in uw situatie verantwoord is.
Bij goede mondhygiene en regelmatige controle blijven implantaten doorgaans vele jaren functioneel. De precieze levensduur verschilt per patient en hangt onder meer af van botkwaliteit, roken en de zorg voor het tandvlees rond het implantaat.
Een sinuslift is aan de orde wanneer er in de bovenkaak te weinig bothoogte is onder de kaakholte om een implantaat stabiel te verankeren. Het membraan wordt opgetild en de ruimte wordt met botmateriaal gevuld.
Bij all-on-4 rust een volledige prothese op vier implantaten, bij all-on-6 op zes. All-on-6 verdeelt de kauwbelasting over meer verankeringspunten en wordt overwogen bij een grotere kaak of een zwaardere kauwfunctie.